Gisteren las je deel één van het reisverslag van Eric Vrijsen. In deel twee lees je over ‘die mees suidelijke plek van die vasteland van Afrika’ en het hoogtepunt van de reis.
‘Die mees suidelijke plek van die vasteland van Afrika’
Onze eerste stop was Hermanus, een stadje dat wordt omschreven als de ‘Wereld Walvishoofdstad’. Door de botsing van warme en koude golfstromen is het oceaanwater rond de Kaap rijk aan plankton. Dit is het voedsel voor de walvissen die zich hier elk seizoen – april tot en met oktober – groeperen. Je hoeft niet eens in een toeristenboot te stappen om ze waar te nemen. Je kunt ze vanaf het strand observeren. Maar we waren iets te laat en iedereen vertelde ons dat het seizoen – klimaatverandering! – dit jaar extra vroeg was geëindigd. Hoe we ook over het wateroppervlak tuurden, de majestueuze zoogdieren lieten zich niet blikken. Maar het wandelpad over de kliffen was prachtig. De bovenste verdieping van het café bood een prachtig uitzicht over de zee. Met de verrekijker in aanslag, nuttigden we een formidabele visschotel.

’s Anderendaags reden we naar Kaap Agulhas. De naam stamt uit vijftiende eeuw, de tijd van de Portugese ontdekkingsreizigers. Die vestigden zich niet in wat nu Zuid-Afrika is, maar wel in Angola en Mozambique. Kaap Agulhas is het uiterste Zuidelijke puntje van het continent. Er staat een bijna twee eeuwen oude vuurtoren en er is een monumentje om deze geografische hotspot te markeren.
‘U is nou op die mees suidelijke plek van die vasteland van Afrika,’ meldt de bronzen gedenkplaat, in 1986 onthuld door president P. W. Botha. Daarmee is het ook een historisch monumentje. Het apartheidsregime liep in 1986 op zijn eind. De witte machthebbers wilden kennelijk nog iets nalaten voor het nageslacht.
De volgende stop was Swellendam, een stadje van Nederlandse origine. Je struikelt er over boerderijtypes uit – laten we zeggen – de Kop van Overijssel of de Bommelerwaard. De oude dienstwoning van de Drost van de Verenigde Oost-Indische Compagnie werd gebouwd in 1747 en twee eeuwen later ook door het apartheidsregime voorbeeldig gerestaureerd. Het pand is nu onderdeel van een openluchtmuseum, dat op de een of andere manier sympathie wekt voor die koppige boeren van Nederlandse komaf.
In barre omstandigheden en geplaagd door vreselijke ziektes, wisten ze zich rond de Kaap staande te houden. Hun met riet gedekte boerderijen ogen vertrouwd en oer-Nederlands, waardoor je je min of meer medeschuldig voelt aan het onheil dat zij in vroegere eeuwen hebben aangericht. Het verdrijven van de inheemsen, de slavernij en het racisme blijven een schandvlek. Het museum in Swellendam – en trouwens ook andere historische musea, zoals het Village Museum in Stellenbosch – brengt dat leed ook in beeld. Eerlijk, niet-propagandistisch, knap. Misschien juist daarom vervult het je met een plaatsvervangende schaamte. Het verleden van landgenoten blijft je langer kwellen dan dat van niet-landgenoten.
Maar vooruit, in de Kaapprovincies blijf je glimlachen om dat sappige Afrikaans. Buffeljagsrivier, Theewaterskloof, Oudekraal Strand, Riviersonderend. Een bakker prijst op een reclamebordje zijn hartige taarten aan: ‘Beste pastei van die contrei.’
Dassies
Verder langs de oceaankust trokken we. Urenlange strandwandelingen, onder andere bij Wilderness. Via ruige paden doorkruisten we het Robberg Nature Reserve bij Plettenberg. Vanaf de kliffen keken we tientallen meters naar beneden op een zeehondenkolonie. Her en der zagen we ‘dassies’ wegschieten tussen de rotsen. Koddige, hamsterachtige beestjes.

Het Tsitsikamma reservaat was ons eindpunt, tevens hoogtepunt. ‘Fynbos,’ zeggen de Zuid-Afrikanen. Daarmee bedoelen ze niet zozeer de kustwouden, maar de uitgestrekte vegetatie met kreupelhout en honderden bloemensoorten. De Gardenroute is een bloemenroute.
De terugweg ging door het binnenland. Over de al even legendarische route 62 reden we. De tocht voerde door de Karoo – een woestijnachtige hoogvlakte met veel struisvogelboerderijen – in de richting van de beroemde wijngebieden van de Kaap. Bij Oudtshoorn weken we af van onze route, omwille van een dagtocht naar De Rust en Prince Albert. Over de 1.400 meter hoge Swartbergpas en Schoenmanspoort ging het weer terug naar Oudtshoorn en in westelijke richting over de route 62.

Voorbij Montagu wordt het landschap steeds meer gedomineerd door wijngaarden en historische proeflokalen. In Franschhoek rijdt zelfs een ‘wijntram’, die de liefhebbers over een historisch spoorlijntje van wijngoed naar wijngoed vervoert. De ene Chenin-Blanc nog lekkerder dan de andere Pinotage. En toen moest Stellenbosch nog komen!
Het aardige van een roadtrip is dat al die uiteenlopende belevenissen en ‘highlights’ zich als een soort kralenketting aaneenrijgen. De Gardenroute en de Route 62 plaatsten na afloop al onze ervaringen in een logisch verband, een geheel dat zich niet licht laat vergeten. Het was meer dan een vakantie, het was een iconische trektocht, een reis.
