De betaalbaarheid van vliegen staat opnieuw hoog op de agenda. De ANVR waarschuwt voor een verdere stijging van kosten en belastingen, en niet zonder reden. Volgens directeur Frank Radstake loopt de Nederlandse vliegbelasting voor langeafstandsreizen op van 30 euro nu naar 72 euro per ticket in 2027, een stijging van 140 procent. Dat is substantieel, zeker in vergelijking met omringende landen.
Wie al meer dan 35 jaar in deze sector meeloopt, weet dat ontwikkelingen zelden op zichzelf staan. Ik heb de markt vaak zien veranderen, maar wat we nu zien, voelt anders. De druk loopt op en komt uit meerdere richtingen tegelijk.
Het is een stapeling van beleidskeuzes, stijgende kosten en een veranderende economische realiteit.
De sector zelf voelt dat al langer. Tegelijkertijd blijft in het bredere debat vaak het beeld hangen van een sector die zich altijd wel redt. Dat klopt als een bus. De reisbranche heeft een indrukwekkend aanpassingsvermogen laten zien. Pandemie, geopolitieke spanningen en operationele problemen op luchthavens zijn opgevangen. Het hele rijtje compleet en de vraag naar reizen bleef bestaan.
Maar veerkracht is geen garantie.
Reizen is geen constante. Het is afhankelijk van vertrouwen, bereikbaarheid en betaalbaarheid. En die laatste twee worden in toenemende mate beïnvloed door factoren waar de sector zelf maar beperkt grip op heeft. Wat ik zie, is geen afname van reislust, maar een duidelijke verschuiving in gedrag. Mensen willen op reis, maar maken andere keuzes. Wanneer ga ik, hoe ver, en vooral: wat kan ik mij nog veroorloven? Die afweging wordt zwaarder dan voorheen. Hogere vaste lasten, stijgende kosten voor levensonderhoud en minder gevoel van financiële voorspelbaarheid maken dat reizen minder vanzelfsprekend aanvoelt. Niet minder belangrijk, maar wel kwetsbaarder.
In dat licht wordt flexibiliteit vaak als oplossing genoemd. Terecht, want de sector heeft altijd laten zien wendbaar te zijn. Maar die wendbaarheid kent grenzen. Marges staan onder druk, capaciteit is niet onbeperkt en regelgeving werkt direct door in wat praktisch mogelijk is. De werkelijkheid is genuanceerder. De vraag verdwijnt niet, de randvoorwaarden wel.
Hoe zorgen we dat reizen bereikbaar blijft in een internationale markt waarin concurrentie niet stopt bij de grens? Hoe verhouden nationale keuzes zich tot dat bredere speelveld? En wat betekent dat uiteindelijk voor de positie van Nederland als vertrekkend en aankomend land?